10/02/2018 - FamiliereŁnie - 100 jaar geleden stierf Guillaume Heinig,
grootvader van Hortense en Paula Heinig, vader van Jean-Baptiste
Heinig, en dit op een boogscheut van de Kerkeveldstraat 32, Laken
 


Berten Hedebouw schreef in een tag op de Facebookpagina van Jan: Hubert Hedebouw 10 februari om 9:14Op 8 februari 2018 is het juist 100 jaar geleden dat Guillaume (Wilhelm) Heinig overleed in zín woning in de Kerkeveldstraat 32 te Laken. Twee toevallige aanwezigen ondertekenden de overlijdensaangifte. Nochtans was zín dochter Margriet nog in Brussel, Zín schoondochter, Caroline en zín twee kleinkinderen (Hortense Ė de moeder van mijn vrouw Paula Hertogen - en haar zus Paula) woonden op enkele honderden meters in de rue Masui. Zijn zoon Jean-Baptist was evenwel al twee jaar in krijgsgevangenschap in Alten Grabow. Ook na de oorlog werd aan Hortense en Paula niets gerept over de afkomst, leven en dood van hun grootvader Guillaume, ook niet door hun vader, de zoon van Guillaume die op in februari 1945 terugkeerde uit krijgsgevangenschap.  Jan Hertogen situeert dit in het klimaat van vervolging van mensen van Duitse afkomst na de eerste wereldoorlog. Ik pikte daar op in met stukje microgeschiedenis http://huberthedebouw.blogspot.be/Ö/een-microgeschiedenis-vÖ

Vandaag, 100 jaar na het overlijden van de overgrootvader van de Hertogens, komen wij met een paar leden van de familie samen voor een maaltijd in Le Royal op enkele tientallen meter van de Kerkeveldstraat waar Wilhelm stierf.

Jan besloot de dag met volgend reactie onder de tag van Berten:" Hartelijk dank aan de aanwezige en alle andere betrokken familie. We hebben mee de rouw gedragen die Margueritte en Jean-Baptist, dochter en zoon van Guillaume Heinig allicht niet hebben kunnen dragen. In brasserie Le Royal zijn we royaal aan ons trekken gekomen wat eten, drank en vooral herinnering en samen zijn betreft.

Els en Tiene waren voor de samenkomst in brasserie Le Royal nog naar de erg interessante tentoonstelling over Migratie geweest in het Joods Museum in Brussel, zie
Gastvrij Brussel waar ondermeer gesteld werd dat er in 1940 15.000 Duitsers in Brussel woonden.
  



 

Laken, 7 februari 1918

ďAan mín kleinkinderen Paula en Hortense,
 Aan hun kinderen en kleinkinderen



Ik was 27 jaar toen ik besloot naar Brussel te trekken. Met mín beroep van horloge- en juwelenmaker in een kleine landelijke gemeente in Saksen-Anhalt had ik geen vooruitzichten. Ik had mín legerdienst er op zitten in Maagdenburg, waar mín vader trouwens van afkomstig was Ė hij deed in kousen en sigaren Ė en niets bond me nog aan KŲthen, ook niet dat Bach er verblijf gehouden had. In de Lachsfang bewoonden we een klein huisje en velen van mín broers en zussen waren al uit huis. Of ik op de loop ging voor een onbeantwoorde liefde, of, erger, dat ik niet mocht trouwen met mín lief, zoals de grootvader van mín toekomstige schoondochter, Caroline, daar moet ik het nu niet over hebben. De liefde heb ik in Brussel gevonden bij een vrouwelijke nazaat van de adellijke familie Donate Arrozola, Antoinette Aerts. Zij stamde uit een familie van 11 kinderen en was zoals ik het landelijke Meldert ontvlucht om zich Brussel, meer speciaal in Sint-Joost-Ten Node, te vestigen. Met mín eigen zeven broers en zussen en de 10 van mín vrouw zou er een hechte familieband kunnen ontwikkelen over alle grenzen heen. Maar de kaarten op het wereldtoneel, en in mín persoonlijke leven werden anders geschud.
 
Leopold werd als eerste van onze vier kinderen geboren, na hem kwamen Mathilde, Marguerite en Jean-Baptist. Allemaal Frans-klinkende namen, want als echte Brusselaars behoorden we tot BelgiŽ, zelf had ik mín geboortenaam Wilhelm, als Guillaume op mín paspoort laten inschrijven. Een half jaar na de geboorte van Jean-Baptiste stierf echter mín vrouw Antoinette en bleef ik achter met een baby van 6 maanden, Jean-Baptist, Marguerite was twee jaar en de twee oudsten 4 en 5 jaar. Wat doe je dan? Mín jongste broer Paul was naar Amerika vertrokken in 1880, naar Dakota, en zín vrouw was hem na de geboorte van haar eerste kindje in december 1881, Alfred Heinig in KŲthen, achterna gegaan. Daar heb ik nog een fotootjes van.

Paul had al vier kinderen toen hij besliste in 1988 om mín twee oudste kinderen in Amerika op te vangen. Mathilde overleed echter op de bootreis naar Amerika en kreeg een zeemansgraf. Mín broer Paul kreeg daarna, met zín vrouw Frederike Kurth  nog zes kinderen. Mijn zoon Leopold was dus de oudste van de 11 kinderen van Paul. Van hem, heb ik nog een mooie foto hier bij me liggen, getrokken in Noord-Dakota.
    

  
 Zo bleef ik in de Antwerpse Steenweg nr. 208 in Laken alleen achter met mín twee jongste kinderen en was het kwestie om mín beroep te Ďverzilverení in voldoende geld om te overleven. Marguerite kon een tijdje onderdak vinden in KŲthen maar kwam toch terug naar Brussel toen ze wat ouder was. Ze heeft het niet gemakkelijk gehad. Ze kreeg als ongehuwde vrouw op haar 21 jaar een kindje, Stefane, dat na een half jaar overleed, dat was mín eerste kleinkind in 1904 geboren. Marguerite had toen tot haar huwelijk met Arcoulin in haar domicilie in KŲthen. Door haar huwelijk werd ze Belgische. Dat ik als vreemdeling in al mín doen en laten gevolgd werd door de staatsveiligheid was het lot van alle vreemdelingen. Door Belg te worden was Marguerite hiervan ontlast. En later zal men haar reilen en zeilen niet meer kunnen volgen, maar dat van mij wel.


 
Zo ben ik, tot ik hier in de Kerkeveldstraat kwam wonen twaalf maal van woonst gewisseld in de Brusselse grootstad, en telkens werd door de veiligheidsdiensten een attest gemaakt van de gemeente waaruit ik vertrok en die waar ik naar toe ging. Drie maal naar Molenbeek, ook naar de Gentse Steenweg, maar het mooiste was toch het Van Goriksplein nr 21, gedurende de eerste drie jaar nadat wij getrouwd waren en waar Leopold en Mathilde geboren werden voor we naar de Antwerpse Steenweg verhuisden.

Wat ik moet zeggen is dat Jean Baptist, nadat zín broer en zus de grote oversteek maakten naar Amerika, me altijd als trouwe gezel gevolgd heeft tot hij in 1911 trouwde met Caroline Steens, die hij enkele jaren vroeger leerde kennen in de rue Massui nr 70, op honderd meter afstand van waar wij toen woonden in de Regatastraat 14. We zijn toen wel verhuisd naar de Harmoniestraat 27 een beetje verderop maar voor Jean-Baptist geen probleem,  hij zou met Caroline een eigen stekje hebben en kon terecht in het grote gebouw in de rue Masui, waar hij meteen een atelier opzette want hij was sleutel- en stovenmaker. In 1903 was Jean-Baptist trouwens Belg geworden, de oudste zoon van een vreemdeling kon bij eenvoudige verklaring Belg worden, en dat heb ik mee ondertekend op de gemeente.

 

En zo kwam er, zoals bij alle grootvaders het geval is, licht in mín leven. Een eerste kleindochter werd geboren op 12/12/2012 en de vraag was welke naam zij zou krijgen. Langs mijn kant kwamen niet direct vrouwen in beeld tot Jean-Baptist zei dat Paula misschien wel een mooie naam was, en daarmee werd ook de band gelegd naar zín nonkel Paul uit Amerika die de oudere broer van Jean-Baptist opgevangen had. En daarmee was de andere kant van de familie ook content, want Paul Steens was de toen al overleden vader van Caroline, mín schoondochter. Zo bleven de twee kanten van de familie in een naam verenigd. Als volgende namen kreeg Paula Marie, van haar grootmoeder Marie Leysen, de familiekant van moederszijde dus Ė Paula verwees dan toch wel naar de vaderskant -  en ook nog FranÁoise. Die naam komt haar peter, Franciscus van Bever, de man van Fien Leysen, de halfzus van Maria Leysen, de moeder van mín schoondochter Caroline. Fien was zoals Maria Leysen ook naar Brussel gekomen, evenals haar zussen Trees en Rosa. De zoon van Fien en Franciscus is later als soldaat gesneuveld in 1915 in Noordschoote. Wat kon ik nog zeggen als troost?

De donkere wolken stapelden zich dus op, tot in Sarajevo het startsein gegeven werd voor de oorlog. Als Duitse inwijkeling had ik tot dan toe geen problemen ondervonden, integendeel. Maar toen mín zoon Jean Baptist, die zín legerdienst gedaan had, werd opgeroepen in 1914 in de kazerne van Schaarbeek om er te dienen bij 5de Linie wist ik dat het hard ging worden. Duitsland viel in augustus 1914 BelgiŽ binnen en alle Duitse burgers moesten zich melden en ik mocht de gemeente Laken niet meer verlaten, want ik woonde toen al in de Kerkeveldstraat 32.

Intussen was ook mín tweede kleinkind geboren, Hortense, op
15/05/1914 . Nu was het de beurt aan moederskant om de naam te geven, nl. Hortense, de zuster van Paul Steens zaliger, de vader van mín schoondochter. Paul Steens, was zoals ik, een horloge- en juwelenmaker, maar in 1900 was hij al op 47 jarige leftijd overleden, ik heb hem dus nooit gekend. Spijtig want samen met zín broer heeft hij ooit nog aan cabaret gedaan, en bij een proces-verbaal in 1916, omdat ik ruzie met iemand gekregen had, werd een pv opgemaakt dat zonder gevolg geklasseerd werd, maar waar ook opstond dat ik 'horlogemaker-cabarettierí was. Als peter van Hortense werd uit dezelfde familiekant gekozen, nl. Maximilien en dit op mijn aandringen. Maxim, zoals wij hem noemden, was de man van Leonie Steens, de zus van de reeds overleden Paul Steens. Voor de Duitse inwijkelingen en hun afstammelingen zag het er toen al niet goed uit, en Duitse afkomst, dat wist men toen wel, was te mijden. De derde naam Marie komt dan weer van Hortenses grootmoeder Marie Leysen.

En het ging van kwaad naar erger. Jean-Baptist werd na een hopeloze verdediging van Tienen en een terugtrekken naar Antwerpen geÔnterneerd met ander Belgische soldaten in Nederland. Maar hij kon het daar niet houden en ondanks de streng bewaakte grens geraakte hij terug in Brussel op 12/05/1915 bij zín vrouw en kinderen. De jongste, Hortense was nog geen half jaar oud toen hij gemobiliseerd werd. En m'n zoon Jean-Baptist was zeker ook erg bekommerd om mijn lot. Hij is ook even binnengesprongen, het was misschien de laatste keer dat we elkaar zagen. En het ergste gebeurde, Jean-Baptist werd op 07/09/1915 door Duitse soldaten in Brussel opgepakt en tot nu heb ik hem nooit meer teruggezien. Ik hoorde wel dat hij in Alten Grabow in krijgsgevangenschap was, op een 70 km van mín geboortestad KŲthen. Het is me ook ter ore gekomen dat mín schoonzoon, FranÁois Arcoulain, de man van mín dochter Marguerite dus, ook krijgsgevangene was in het zelfde concentratiekamp. Dat stelde me enigszins gerust, ze zouden elkaar helpen te overleven. Maar zelf kon ik niets meer voor hen doen.



Bij de geboorte van Hortense was er al sprake geweest van wat er zou gebeuren met mij, met Jean-Baptist en vooral ook met de kinderen van Jean-Baptist als de Duitsers BelgiŽ zou binnen vallen. En vooral ook, wat er zou gebeuren als de Duitsers de oorlog zouden verliezen, wat toch zeker ging gebeuren en wat ik hartsgrondig wenste. Niet dat alle contacten van mij met de familie Steens diende verbroken maar ik vond het toch beter dat zij niet meer langs kwamen, zeker nu het Duitse bestuur in Brussel met de Generaal Gouvernement de Duitse afstammelingen meer en meer begon op te eisen. Het stelt me voor een moeilijke keuze. Moest ik mín kleinkinderen het risico laten lopen, dat zij, na de oorlog, met mij, mín zoon en mín dochter Marguerite zouden moeten vertrekken naar Duitsland?

Vandaag is het 7 februari 1918. Al maanden heb ik niemand van de familie meer gezien, ook mín dochter Marguerite niet. Af en toe ga ik in het cafť om de hoek iets eten. Het gaat niet goed met mij. Het is koud en ik heb een hardnekkige hoest die maar niet overgaat. Voor Duitsers zoals ik is er geen compassie, naar een dokter hoef ik niet te gaan en ik zit al jaren om werk verlegen. Ook de Openbare Onderstand kan ik niet aanspreken. Ik ben beetje bij beetje aan het vergaan, ik zeg het zoals het is, deze brief kost mij veel krachten.

In december 1917 viel er een verordening in de bus: ďIedereen van Duitse afkomst  Ö moet zich melden bij het Pasbureau in zijn gemeente in de vier weken na 13 januari 1918Ö Al deze mensen van Duitse oorsprong moeten ook hun verplaatsingen melden bij de Duitse overheid.Ē Morgen 8 februari 1918 verstrijkt deze termijn van vier weken. Moet ik mij melden bij de bezettende overheid in Brussel en administratief doen acteren dat ik als Duitser contact had met het Gouvernement Generaal van Brussel en zo eventueel de toekomst van mín kleinkinderen discrediteren?Ē En dan stopt dit schrijven.

Op 8 februari om 5h30 in de morgen overlijdt Guillaume Heinig in zín woning in de Kerkeveldstraat 32 te Laken. Aangifte wordt pas een dag later gedaan op 09/02/1918 om 10h door twee jonge arbeiders, van 26 en 27 jaar, een mecanicien en een sleutelmaker, hetgeen er op wijst dat Guillaume Heinig, 67 jaar, zín dood.alleen tegemoet heeft moeten zien.

Jan Hertogen,
achterkleinkind van Wilhelm Heinig,
9 februari 2018.

Voor het volledige verhaal van de familie, zie www.hertogen.be/voorouders,  z'n huwelijk Heinig-Aerts, de Immigrant Guillaume Heinig uit KŲthen, de 13 staties van Guillaume Heinig in Brussel en en z'n Toespraak van 07/02/1918 aan kinderen en hun kinderen. Zie ook de Mailing met Hans Hertog waarin de informatie is gegeven over de broer van Guillaume in Amerika. Een uiterst interessante e-mail correspondentie die van onder naar boven dient gelezen en, zo hebben we geconcludeerd, die duidelijkheid verschaft over de naamgeving Paula aan tante Paula. De naamgeving, het bezoek van Jean-Baptist aan z'n vader, de familiale realties en de mate waarin Guillaume 'veiligheid' heeft willen brengen voor z'n gezin, zijn aannemelijke maar literaire overwegingen.
 
Na het eten in La Royal werd nog te voet een bezoek gebracht aan de winkel in de Rue Massui waar Caroline Steens en Jean-Baptiste Heinig gewoond hebben en Paula en Hortense geboren en opgegroeid zijn.

   

    

Berten heeft nog een andere foto gepost op FB, met een korte verdiuidelijking van Jan of Hortense nu een Ketje of een Zinneke was - een Ketje heeft twee in Brussel geboren voorouders, een Zinneke maar een -. Hortense en Paula zijn dus onbetwistbaar Ketjes!, zie FB Berten van 11/02/2018.:
 
Jan, 17/02/2018